Ik ben van plan om af en toe over muziek te schrijven. Tenslotte is muziek, na tennis, mijn tweede liefde. Schrijven en poëzie volgden vele jaren later. In dit eerste deel wil ik het hebben over vrouwenstemmen.
In de nineties had ik weinig interesse in vrouwelijke zang, op enkele songs van Hole, The Breeders, Björk en Portishead na. Ik vond mannenstemmen diverser, rauwer en emotioneler. Vrouwelijke singer-songwriters klonken in mijn oren vlakker, alsof ze het niet genoeg meenden. En ook als brulboeien van rockbands schoten ze volgens mijn tieneroren schromelijk tekort.
Het is moeilijk te zeggen wanneer de kentering plaatsvond, maar een tiental jaar geleden maakte ik kennis met artiesten als Elena Tonra van Daughter en Emma Ruth Rundle. Hun duisterdromerige muziek wist me diep te raken. Ik vond – en vind nog steeds – troost in hun platen. Toch bleef mijn liefde voor vrouwenzang nog lange tijd beperkt tot een handvol artiesten.
Enter 2026. Als ik naar mijn aankopen van de laatste twee jaar kijk, winnen de vrouwenstemmen. Ik herontdekte Suzanne Vega en maakte kennis met onder meer Phoebe Bridgers, Adrianne Lenker van Big Thief, de vrouwen van Warpaint, Eefje de Visser, Arooj Aftab en Liz Harris (alias Grouper). Vanwaar deze plotse toevloed van vrouwelijke artiesten in mijn cd- en platencollectie? Ik waag een poging om die vraag te beantwoorden, al spreekt muziek een eigen taal waarvoor soms geen woorden bestaan. Ik kan lyrisch worden over songs die mij omverblazen of stil krijgen, maar de woorden die ik in de strijd gooi, raken de kern niet. Ze blijven rond het gevoel dansen dat die muziek bij mij teweegbrengt.
Er schieten mij wel drie woorden te binnen: troost, sensualiteit en kracht.
Troostend zoals een vrouwenschoot kan zijn. Je legt er je hoofd op neer en laat haar door je haren strijken, je gedachten sussen. Sensueel omdat de stem beelden oproept: heupen die tegen de begeerte aan schuren, lange lokken die zich rond een melodie krullen. Beelden die zich weinig aantrekken van de vraag of ze origineel of clichématig zijn. En krachtig, net omdat die troost en sensualiteit een tegenwicht bieden aan de verharding van onze maatschappij.
Misschien is mijn liefde voor vrouwenzang meegegroeid met mijn liefde voor poëzie. Want als ik de lyrics even vergeet en puur naar de klanken luister, vind ik een vrouwenstem poëtischer. Ongrijpbaarder ook. Alsof ik er dicht bij wil zijn, in het volle besef dat het nooit zal lukken. Tenzij misschien in een concertzaal, tussen duizenden anderen die zich dezelfde illusie maken.
Plaats een reactie